De historie en wetenschap van het dragen

Wij mensen behoren tot de zoogdieren, maar wist je dat we de jongen van alle zoogdieren ook kunnen onderverdelen?

Zo is het bekend dat er nestblijvers en nestvlieders zijn, maar vrij onbekend is de categorie draaglingen. De huidige wetenschap ziet de mens als draagling.

  “ Draaglingen zijn zoogdierjongen, die door een ouder gedragen worden, omdat zij zich nog niet of beperkt alleen kunnen voortbewegen. Hun algemene ontwikkelingstoestand lijkt op dat van nestvlieders. Hun skelet is echter zo gemaakt dat de handpalmen en de voetzolen in normale houding naar elkaar gekeerd zijn, zo dat vingers en tenen zich kunnen vastgrijpen in het vel van het dragende ouderdier”(1)

 

Als we logisch naar onze kinderen kijken, dan zijn het geen nestvlieders. Nestvlieders kunnen na de geboorte meteen lopen net als bv. giraffen en dus kunnen ze vluchten voor de vijand. Je zou kunnen zeggen dat onze kinderen nestblijvers zijn. Echter zijn er een aantal typische kenmerken van nestblijvers (bv honden) zoals hun onderontwikkelde zintuigen. De ogen en oren zijn na de geboorte gesloten en dat past niet bij onze kinderen.

Daarbij komt dat nestblijvers urenlang, stil en alleen kunnen blijven. Ook dit is niet van toepassing op onze kinderen. Want zodra een kind alleen gelaten wordt treedt er een belangrijk reflex op, namelijk contact huilen.

Vanuit de geschiedenis is het ‘ alleen blijven’ gelijk aan achtergelaten worden en daarmee prijsgegeven worden aan een zekere dood.(2) Ze passen dus niet in de categorie nestblijvers en nestvlieders. Onze kinderen zijn tevreden als ze lichaamscontact hebben en beweging voelen. Dan zijn ze ‘veilig’.

Er zijn een aantal belangrijke reflexen bij onze pasgeboren kinderen aanwezig:

Onze kinderen kunnen niets anders dan huilen om kenbaar te maken dat ze angst hebben om alleen gelaten te worden. Wanneer een kind gevoed en verschoond is en toch begint te huilen heeft het behoefte aan contact.

“Er direct zijn, wanneer een zuigeling begint te huilen, hem vast te houden, mee te dragen, hem, wanneer hij ernaar verlangt, door je nabijheid te verzekeren dat hij niet alleen is, is het tegendeel van wat veel ouders zelf als zuigeling hebben geleerd: rekening houden met interesses van anderen; jezelf leren redden. Maar de mens is van nature uit afhankelijk. Ingesteld op hechte relaties, op het gevoel van saamhorigheid. En voor de zuigeling geldt dat zeker. Ideale omstandigheden zijn te vinden bij de moeders van de Inuit, de bosjesmensen, de Gusil en andere natuurvolken. Ieder draagt haar kind, dag in dag uit met zich mee en slaapt ’s nachts naast hem. Hun lichaam is continue in tweespraak met het kind”. (3)

Wanneer je een baby op wilt pakken zal hij zijn benen optrekken en spreiden. Het bereid zich voor om gedragen te worden. Bijzonder is dat moeder en kind hierbij als sleutel in het slot bij elkaar passen. De stand die de baby aanneemt is passend voor het dragen op de heupen (4). Ga maar eens na, we dragen onze kinderen vaak op de heup…

Deze twee reflexen wijzen op een actieve deelname in het gedragen worden. Echter hebben deze twee reflexen geen betekenis meer omdat wij, in tegenstelling tot apen, onvoldoende lichaamshaar hebben. Toch zijn het belangrijke reflexen die een nestblijver en nestvlieder niet hebben (5

Naast de reflexen die het dragen van je kindje onderschrijven is ook de lichaamshouding van een baby anders dan die van volwassenen. De rug van baby’s vormt zich in een lichte Kyfose, dat betekend dat de typische S-vorm aan krommingen in onze wervelkolom nog niet aanwezig zijn (6). De rug van een baby heeft een C-vorm en naarmate een kind zich ontwikkeld komt de S-vorm tot stand. De meest kinderen slapen op hun buik met hun knieën opgetrokken, dit ontlast de rug. Naast de afwijkende stand van de wervelkolom heeft ook het heupgewricht een andere stand.

Buschelberger, een orthopeed uit Dresden, heeft al in 1961 de anatomisch meest gunstige stand van de bovenbeenkop t.o.v. de heup kom uitgezocht: “ bij een spreiding van het bovenbeen van 40 graden, vanuit het midden van het lichaam bezien, en een gelijktijdige hurkzit van 100 graden, past de bovenbeenkop het best in de heup kom. Deze waarden zijn gelijk aan de hoek die gemeten wordt terwijl de baby op de heup zit.


Bronnen:

  1. B. Hassensteun “ Der menschliche Saugling – Nesthocker oder Tragling?” In wisenschaft und Fortschritt 42/1992. S.24-28 cit. Naar A. Manns / A.C. Schrader 1195 S.19
  2. E. Kirkilionis “ Ein Baby will getragen sein, Alles uber geeignete Tragehilfen und die Vorteilen des Tragens”, Munchen 1999 S. 21ff
    GEO “ beruhrung Tasten, Erfahren, Begreifen” Wie Korperkontakt den Menschen pragt” Heft 06/2004 S. 127
  3. E. Kirkilionis “Ein Baby will getragen sein, Alles uber geeignete Tragehilfen und die Vorteilen des Tragens”, Munchen 1999  S. 28ff
  4. Largo, Remo H., “Babyjahre, Die Fruhkindliche Entwicklung aus Biologischer Sicht. Das andere Erziehungsbuch, Piper, Munchen  2000 S. 114ff
  5. Buckup, Klaus, “Kinderorthopadie”. Stuttgart 2001 S. 50ff/ S. 80
  6. E. Kirkilionis 1999 S. 36ff
    http://draagdoekconsulenten.nl/hersenontwikkeling/
    http://www.askdrsears.com/topics/health-concerns/fussy-baby/baby-wearing/benefits-babywearing
Copyright 2016 - Elke Draagconsulente